NL: Over het tienerbrein, onderwijs en ontplooiing

By Jelle Jolles & Brigitte Bloem - Feb 20th, 2017

Hoe leraren en ouders de ontwikkeling van het tienerbrein kunnen stimuleren

Context shapes the brain, daarvan is universiteitshoogleraar Neuropsychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en directeur van het Centrum Brein & Leren Jelle Jolles overtuigd. ‘De omgeving stimuleert – binnen genetisch bepaalde randvoorwaarden – de ontwikkeling van complexe hersennetwerken’, legt Jolles uit. ‘Wat iemand kan bereiken, ligt niet al voor een groot deel vast. Oefening en ervaring, alsmede zintuiglijke prikkels, zijn bepalend. Opvoeders, leraren en samenleving scheppen samen de voorwaarden voor de ontplooiing door het geven van steun, sturing en inspiratie, én door het wijzen van routes en het verschaffen van kennis. Nieuwe inzichten over de rijping van de adolescent en diens hersenen leveren nieuwe inzichten die ons onderwijs zullen veranderen.’

Waarom zou men in het onderwijs iets moeten weten over het brein van de adolescent?
‘Je begrijpt tieners beter als je je ervan bewust bent dat ze ‘werk in uitvoering’ zijn. Hun brein rijpt door tot ver na het twintigste jaar. Daarom is het van groot belang dat je in het onderwijs/als je met of voor jongeren werkt, snapt hoe tienerhersenen informatie verwerken. Je wilt immers dat wat je als leraar probeert over te brengen écht wordt opgeslagen. En dat de leerling de informatie die is opgeslagen later ook kan reproduceren. Ook zou een leraar kennis moeten hebben van de factoren die bijdragen aan verschillen tussen kinderen: biologische factoren én sociaal-culturele factoren. Alleen zo krijgen ze goede handvatten om leerlingen tot grotere leermotivatie en betere prestaties te brengen. Een schrale dan wel rijke leer- en leefomgeving is van grote invloed. Bovendien verschilt de snelheid van rijping tussen jongens en meisjes.’

Hoe verloopt die ontwikkeling dan?
‘Een kind tot tien jaar leert de basisvaardigheden: waarnemen, taal, inschatten, zitten, lopen, rennen, fietsen, skaten. Tijdens de kindertijd en de adolescentie vormen zich complexe netwerken in de hersenen. Er ontstaan verbindingen tussen de vele tientallen kleinere hersenstructuren die ieder een min of meer specifieke taak hebben in de hersenen. Het ontstaan van deze netwerken vindt plaats op grond van ervaringen die iemand opdoet. Mijn advies aan leraren, school en ouders is dan ook om kinderen voldoende en uiteen­lopende prikkels te geven, zodat de ontwikkeling van het hele brein gestimuleerd wordt. Speel in op de natuurlijke nieuwsgierigheid van tieners. Dan blijf je ze boeien.’

En hoe zit het met ervaringen?
'De hersenen zijn dol op nieuwe prikkels. Ze willen continu worden uitgedaagd en nieuwe ervaringen opdoen. Die zijn namelijk belangrijk ‘voor later gebruik’. Je zou de tienertijd dan ook kunnen zien als een periode van ‘verbreinen’: de hersenen van een kind veranderen in die van een adolescent. Die veranderde hersenen hebben de taak om de jongere zoveel mogelijk ervaringen te laten opdoen om zich zo adequaat mogelijk te positioneren in de samenleving van de volwassenen.

Heel belangrijk: de adolescentie is een periode van kansen en mogelijkheden. Het gaat niet alleen om verlokkingen, risico’s en bedreigingen, ook al ligt daar nu veel nadruk op. De tiener leert zichzelf in de wereld te positioneren. Daarom is de peergroup zo belangrijk voor de tiener: het tienerbrein wil alles weten van andere tieners. Daardoor leert de tiener empathie te hebben, gaat hij sociaal gedrag vertonen en leert hij emoties in te schatten.’

U zegt in uw publicaties en in uw recente boek ‘Het Tienerbrein’ dat er heel wat jongeren zijn die op school veel minder goed presteren dan ze kunnen. Hoe komt dat en wat kan de school daaraan doen?
Hersenen die genetisch gezien een toppotentie hebben, ontplooien alleen optimaal in een omgeving die stimuleert en inspireert. Bovendien is deze ontplooiing afhan­kelijk van eerdere gebeurtenissen in het leven: de persoonlijke biografie die intussen in de vorm van ervaringen is vastgelegd in de hersenbedrading. Leren en onder­wijzen werkt via de hersenen. Daarom is emotio­nele, culturele en sociale voeding nodig. Als je een relatief schrale ontwikkeling hebt gehad met weinig stimulansen, ook al heb je lieve ouders, dan ontwik­kelen ervaring en kennis wat langzamer. Dat leidt tot minder gerichte en snelle opname van nieuwe prik­kels.’

Dus een kind dat minder presteert, heeft een risico om daarna nóg minder te gaan presteren?
'Dat klopt. De achterstand wordt groter. Het kind dat relatief weinig ervaringen heeft gehad, minder goed is in taal en minder ‘verbeelding’ heeft, is minder goed in staat om prikkels op een creatieve manier met andere prikkels te verbinden. Dergelijke leerlingen hebben in principe evenveel potentie als leerlingen die een rijkere omgeving hebben gehad. Maar ze lopen achter. School zou deze leerlingen zoveel mogelijk ervaringen moeten laten opdoen die ze gemist hebben. Gerichte interventies zijn nodig om kernfuncties zoals zelfinzicht en zelfregulatie te trainen: op school én thuis. Dat zijn belangrijke neuropsychologische vaardigheden, die bepalend zijn voor de ontplooiing. Ook interesse in de wereld, nieuwsgierigheid ­en een onder­nemende attitude zijn hiervoor belangrijk. En ook de vaardig­heid in het plannen en prioriteren. Zo geef je deze leerlingen een andere mindset en laat je hen zien dat er wel degelijk mogelijkheden zijn om zichzelf verder te ontwikkelen. Dat stimuleert hun leermotivatie.’

Dus scholen moeten volgens u meer rekening houden met individuele verschillen en met de hersenontwikkeling?
‘Ja. Nu geven we onze leerlingen toch wel veel hetzelfde, met het bekende nadeel dat de stof voor sommige leerlingen veel te gemakkelijk en voor anderen te moeilijk is. Het gegeven dat er individuele verschillen zijn en dat we sterke aanwijzingen hebben dat de om­geving daarin een cruciale rol speelt, betekent mijns inziens dat we individuele leertrajecten aan moeten bieden. Dan denk ik niet aan dertig individuele trajecten, maar wel aan meer dan de drie gangbare. En bovenal: we moeten ons realiseren: ‘Een traaggroeiende boom kan ook de hoogste boom worden’. Dat heeft grote implicaties voor onderwijs en ontplooiing. We maken een grote fout als we de potentie van kinderen afmeten aan hun toetscijfers. Ik had zelf op de middelbare school matige cijfers. Pas in de late adolescentie en bijna-volwassenheid heb ik een sprintje getrokken en heb me toen pas goed kunnen ontplooien, dus ruim na mijn 20e jaar!’

Van welke inzichten over de ontwikkeling van het adolescentenbrein kan elke leraar morgen al profijt hebben in een klas vol tieners?
‘De tiener is werk in uitvoering. Wat hij nu kan is in het geheel nog niet maatgevend voor wat hij over een x ­aantal jaren kan en waar hij motivatie voor heeft. De cijfers en prestaties van een tiener zeggen weinig over vermogen en potentie, maar veel meer over motivatie. Wil je een tiener motiveren, dan moet je zijn zelfinzicht en attitude verder ontwikkelen. Zelfinzicht is de basis voor alle veranderingsprocessen. Attitude gaat om de houding tegenover leren, tegenover school en leraren, empathie en het begrijpen van de intenties van de mensen om je heen. Met een gerichte en relatief simpele aanpak zijn deze executieve functies gemakkelijk te trainen, waardoor leermotivatie en schoolprestaties van een leerling enorm kunnen verbeteren. Dat betekent dat het zin heeft om in te zetten op inspireren, op routes wijzen en daarmee op motiveren.’

Zijn dat gegevens uit wetenschappelijk onderzoek?
‘Zeker. Er bestaat een groot stuwmeer aan wetenschappelijke kennis en inzichten. Probleem is dat die kennis niet makkelijk beschikbaar komt voor de educatie praktijk. Daarom ben ik blij dat TEDxED bestaat en een rol speelt in de kennisdisseminatie. En daarom heb ik ook mijn boek over Het Tienerbrein geschreven. Ik geef in mijn boek speciale aandacht aan neuropsychologische functies als zelfinzicht, zelfregulatie, plan­nen en prioriteren. De taak voor onderwijs en opvoeding is: train dit soort functies. En doe dat zowel bij jongens als bij meisjes. Wacht niet tot het tienerbrein dat allemaal vanzelf doet, want dan kun je lang wachten. Als deze functies onvoldoende ont­wikkeld zijn, heeft de leerling daar last van. Dat is helaas de situatie op veel scholen: we geven te weinig steun, sturing en inspiratie aan onze tieners.’

U legt veel nadruk op de omgeving. Betekent dat dat erfelijkheid en ‘de genen’ er niet toe doen?
‘Erfelijkheid en genen zijn éven belangrijk. Maar ze werken op een andere manier. De genen bepalen wat een persoon optimaal worden kan. En de omgeving bepaalt wat de persoon kan worden binnen die genetisch bepaalde grenzen. Het is cruciaal om ons te realiseren dat het de omgeving is die bepalend is voor de ontwikkeling van talent. Bovendien stel ik in mijn boek dat er geen vaste leerstijlen zijn. Een tiener werkt hoogstens met strategieën. Die zijn veranderlijk. Daar­om is het heel zinvol de leerling te leren zoveel mogelijk strategieën te ontwikkelen en daar ervaring mee op te doen. Weer is de omgeving, de leraar, de opvoeder hiervoor essentieel. Een voorbeeld: jongens en meisjes verschillen veel meer dan je denkt. Dat is niet zomaar het gevolg van hun hersenfunctie, het is zeker ook het gevolg van de manier waarop ze opgevoed zijn. Daarom heeft het zin om meisjes te stimuleren om meer ondernemend te worden, nieuwsgierig te zijn en visuele strategieën te hanteren. Jongens kunnen flink wat stimulansen gebruiken om zelfinzicht, empathie en taalvaardigheid verder te ontwikkelen. En Ik vind dat een taak voor school én ouders.’

Wat hoopt u over vijf jaar te herkennen in het onderwijs, dat betrekking heeft op uw vakgebied?
‘Ik hoop dat de inzichten die ik hier noem en die ik in mijn boek heb beschreven dan gemeengoed zijn geworden in het onderwijs. In de gedragswetenschappen wordt al algemeen erkend dat hersenfuncties relevant zijn voor ons functioneren. Begin jaren negentig bestond die visie nauwelijks. Nu is het brein in alle deelgebieden van de psychologie en pedagogiek herkenbaar. Ik verwacht en hoop dat die manier van denken ook in het onderwijs en bij de opvoeding gangbaar wordt. Het gaat dan natuurlijk niet over het brein. Het gaat over de tiener, over de persoon en zijn ontplooiing op school, thuis, bij sport, muziek en vrije tijd. En over de tienertijd als een periode van kansen en mogelijkheden.’

Bronnen:
-
Jelle Jolles, Het tienerbrein, over de adolescent tussen biologie en zijn omgeving, Amsterdam University Press, Amsterdam, 2016. ISBN 978 94 6298 398 4.
- Dit stuk is gebaseerd op een interview door Brigitte Bloem dat is gepubliceerd in PrimaOnderwijs, januari 2017, p 18-20

Foto: Ton van Til

« Previous - Next »